Nu de eerste wintergranen zijn geoogst, zetten we de belangrijkste regels rond het vervoer en het uitrijden van vloeibare dierlijke mest onder MAP 7 nog even op een rij.
Vanaf 1 juli moet het vervoer van eigen vloeibare dierlijke mest naar eigen percelen altijd geregistreerd worden via de AGR-GPS-app. Die verplichting geldt dus ook wanneer landbouwers hun eigen mest op hun eigen gronden uitrijden.
Voor bepaalde percelen geldt daarnaast een extra verplichting. Gaat het om percelen in gebiedstype 2 of 3 waarop geen grasland of blijvende teelt aanwezig is, dan moet het transport gebeuren door een erkend mestvoerder.
Landbouwers die beschikken over een vrijstelling van de gebiedsgerichte maatregelen, hoeven in dat geval geen erkend mestvoerder in te schakelen. Het transport moet wel nog steeds geregistreerd worden via de AGR-GPS-app.
Voor vaste dierlijke mest en andere meststoffen verandert er niets: daarvoor zijn noch een erkend mestvoerder, noch de AGR-GPS-app verplicht.
Bij een burenregeling moet het vervoer van vloeibare dierlijke mest vanaf 1 juli in principe altijd geregistreerd worden via de AGR-GPS-app.
Op die regel is er één belangrijke uitzondering. Gaat het om vervoer naar percelen in gebiedstype 2 en 3 waarop geen grasland of blijvende teelt aanwezig is, dan moet het transport gebeuren door een erkend mestvoerder en wordt een mestafzetdocument (MAD) opgemaakt. In deze gevallen is een burenregeling dus niet mogelijk.
Beschikt de afnemer over een vrijstelling van de gebiedsgerichte maatregelen, dan vervalt de verplichting om een erkend mestvoerder in te schakelen. Het transport moet wel nog steeds geregistreerd worden via de AGR-GPS-app.
De AGR-GPS-app blijft bovendien altijd verplicht bij vervoer in het kader van een burenregeling naar:
Voor vaste dierlijke mest en andere meststoffen is de AGR-GPS-app niet verplicht, behalve bij vervoer naar een mestverwerkingsinstallatie of een mestzak.
Na de oogst van de hoofdteelt mag vloeibare dierlijke mest nog worden uitgereden tot en met 31 juli, op voorwaarde dat uiterlijk op die datum een nateelt wordt ingezaaid.
Na een niet-nitraatgevoelige hoofdteelt zijn er twee mogelijkheden:
Voor percelen op zware kleigronden geldt een afwijkende regeling. Type 2-mest mag na de oogst van de hoofdteelt nog aan de volledige dosis van 170 kg dierlijke stikstof per hectare worden uitgereden, op voorwaarde dat uiterlijk op 15 september een nateelt wordt ingezaaid.
Ook na 1 september kan nog type 2-mest worden uitgereden. In dat geval geldt echter een beperking van 100 kg werkzame stikstof per hectare en moet de nateelt binnen 14 dagen na het uitrijden worden ingezaaid.
Op percelen in gebiedstype 1, 2 en 3 die geen zware kleigrond zijn, moet na een hoofdteelt die uiterlijk op 31 augustus werd geoogst, steeds een nateelt of vanggewas volgen.
Enkele belangrijke aandachtspunten:
Wanneer uitsluitend een vanggewas wordt ingezaaid, moet dit bovendien gedurende een bepaalde periode behouden blijven:
Heb je vragen over de toepassing van MAP 7 op jouw bedrijf of twijfel je over de regels die voor jouw percelen gelden? Neem gerust contact met ons op. Wij helpen je graag verder.
Contacteer ons
Bij een burenregeling wordt een overeenkomst aangemaakt tussen aanbieder en afnemer voor een bepaalde hoeveelheid. Dit wordt opgemaakt voorafgaand aan de effectieve transporten.
Tegen 2030 moet elk varkens-, pluimvee- en rundveebedrijf een bepaald ammoniakplafond respecteren, ongeacht of zij een vergunning hebben voor bepaalde of onbepaalde duur.
Begin dit jaar trad het nieuwe mestdecreet MAP 7 in voege. Dit hield een aantal belangrijke aanpassingen in zoals lagere bemestingsnormen en ruimere beschermingszones. Maar ook aan de uitrijregeling voor dierlijke mest werd verstrengd, vooral voor mest die uitgereden wordt na 1 juli.