Het Stikstofdecreet heeft tot doel de impact van stikstofneerslag op de speciale beschermingszones voor habitats (SBZ‑H) in Vlaanderen structureel te verminderen. Zowel voor varkens- , pluimvee- als rundveehouders speelt de PAS-referentie 2030 een belangrijke rol. In heel wat gevallen moet er tegen 30 september 2026 hiervoor actie ondernomen worden.
Voor rundveebedrijven was een eerste concrete stap in het traject van de vermindering van de impact van de stikstofneerslag de tussentijdse reductiedoelstelling van 5% voor rundveehouderijen, die uiterlijk tegen 31 december 2025 gerealiseerd moest zijn. Rundveehouders leverden ondertussen die inspanning, hetzij door het toepassen van erkende ammoniakemissiereducerende maatregelen, hetzij door een aanpassing van het aantal dierplaatsen. De gekozen maatregel moest daarbij tegen 31 maart 2026 opgenomen worden via een melding of aanvraag in het omgevingsloket.
Nu deze tussentijdse deadline achter ons ligt, wordt het belangrijk om na te gaan welke stappen nog nodig zijn met het oog op 2030. Dit is tevens belangrijk voor varkens- en pluimveehouders. In dat kader speelt namelijk de PAS‑referentie 2030 een belangrijke rol. De PAS‑referentie 2030 bepaalt hoeveel ammoniak een veehouderij na 2030 nog mag uitstoten en is daardoor mee bepalend voor de toekomst van het bedrijf.
We lichten toe wat die PAS‑referentie 2030 precies inhoudt, hoe ze wordt berekend en wanneer en hoe een afwijking van referentiesituatie 2021 kan worden aangevraagd via de Commissie Afwijkende PAS‑referentie (CAPAS).
De PAS‑referentie 2030 is een uniek ammoniakemissieplafond voor elke veehouderij dat geldt na 31 december 2030. Elke veehouderij moet tegen 30 september 2029 beschikken over een aangepaste vergunning waarin wordt aangetoond op welke manier er zal worden voldaan aan de PAS-referentie 2030.
De standaard berekening van de PAS-referentie 2030 wordt berekend aan de hand van de gemiddelde veebezetting van het productiejaar 2021, in vele gevallen vermeerderd met een leegstandspercentage (= referentiesituatie 2021). Dit leegstandspercentage geldt voor diercategorieën die doorheen het jaar periodes hebben met een leegstand. Hierbij wordt er steeds begrensd tot de vergunde dieraantallen en emissies. Hierop zal de reductiedoelstelling worden toegepast, zijnde 25% voor melkveebedrijven, 28% voor vleeskalverenbedrijven, 0% voor vleesveebedrijven en 60% bij stallen die nog niet ammoniakemissiearm zijn uitgevoerd voor zowel varkens- als pluimveebedrijven, zoals momenteel in het decreet is bepaald. Het resultaat is de maximale ammoniakemissie die het bedrijf na 2030 nog mag uitstoten.
Om landbouwers op weg te helpen bij de berekening van de PAS-referentie 2030, werd een online PAS‑referentietool ontwikkeld. Via deze tool kan elke veehouder zijn PAS‑referentie 2030 laten berekenen op basis van de beschikbare gegevens. Deze tool is beschikbaar via deze website.
De gemiddelde dierbezetting uit de mestbankaangifte van 2021 speelt dus een grote rol in de toekomstmogelijkheden van een bedrijf. Echter: voor een heel aantal bedrijven is het referentiejaar 2021 niet representatief en vormt dit referentiejaar dus geen goede basis voor de berekening. In het stikstofdecreet is voorzien dat landbouwers in bepaalde situaties de mogelijkheid hebben om een afwijkende referentiesituatie 2021 aan te vragen bij de Commissie Afwijkende PAS referentiesituatie (CAPAS). De CAPAS is een onafhankelijke commissie die individueel beoordeelt of een veehouder recht heeft op een afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021 voor de PAS referentie 2030.
In het decreet is opgenomen in welke situaties een afwijking op de PAS-referentiesituatie aanvaard kan worden.
Er zijn er drie mogelijke gronden:
Bijvoorbeeld bij uitbreidingen, nieuwbouw, renovaties of overnames.
Bedrijven die in 2021 nog niet vergund waren.
Zoals overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid van de bedrijfsleider, echtgenoot, partner, andere naaste met een actieve rol in het bedrijf of van een kind, ernstige ongevallen, uitbraak dierziekte, brand of natuurrampen die een aantoonbare impact hadden op de bezetting in 2021.
Afhankelijk van de grond waarop de afwijking op de referentiesituatie 2021 wordt aangevraagd, kan dan uitgegaan worden van de veebezetting uit een ander aangiftejaar of de vergunde dieraantallen om de nieuwe referentiesituatie 2021 te gaan berekenen.
Een CAPAS‑aanvraag wordt niet automatisch goedgekeurd. Er zijn twee belangrijke voorwaarden waaraan voldaan moet worden:
De aanvraag moet voldoende onderbouwd zijn met gegevens zoals mestbankaangiften, vergunningen en bewijsstukken van overmacht of investeringen. De beoordeling gebeurt per diersoort. Voor bedrijven met meerdere diersoorten kan het dus zijn dat enkel voor één diersoort een afwijking wordt aanvaard. Het kan ook zijn dat er voor beide diersoorten een verschillende reden is om een afwijking aan te vragen. Het is dus belangrijk om dit zeker te bekijken.
Aanvragen bij CAPAS kunnen worden ingediend ten laatste tot 30 september 2026 via een digitaal loket dat ter beschikking is gesteld door de overheid.
Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel? Aarzel niet om jouw DLV-adviseur te contacteren.